Het dragen van een minirok leidt volgens de gouverneur van Jakarta tot verkrachting, porno leidt tot demoralisering en seks voor het huwelijk is nog altijd taboe. Maar in een Indonesische spa is het wel mogelijk de vagina dicht te laten stomen en op straat wordt penisverlenging op schreeuwende wijze aangeprezen.
Indonesië, het land waar de meeste moslims ter wereld wonen, vecht met zijn seksuele identiteit: met de invloeden uit het liberale Westen, het conservatieve Midden-Oosten en met de mythische seks uit eigen land. De minister van Onderwijs vindt seksuele voorlichting op scholen onnodig: ‘Ze leren het vanzelf wel.’
En dat is precies waar Zoya Amirin, de enige vrouwelijke seksuoloog in Indonesië, zich aan stoort: ‘Zelfs de hoogst opgeleide mensen denken dat je door over seks te praten jongeren op ideeën brengt.’ Ze lanceert komende week de eerste educatieve sekspodcast in de archipel: In bed met Zoya.
Die eerste podcast gaat over seksuele mythes en feiten. ‘Men gelooft hier de meest grote onzin. Een penisverlenging met bamboe kan niet, het is zelfs schadelijk. En dat onbesneden vrouwen sekswellustelingen zijn, is ook niet waar.’ De mythes bestaan al eeuwen, net als de seks opwekkende drankjes die kruidenvrouwtjes zonder blikken of blozen op straat verkopen.
Seks werd eigenlijk een probleem na de val van dictator Soeharto eind jaren negentig, met hem viel ook de onderdrukking van religie. Godsdienst mocht plotseling en de Indonesiër ging openlijk op zoek naar zijn religieuze identiteit. Dat komt terug in de conservatieve wetgeving: de antipornowet verbiedt sinds 2008 niet alleen porno, maar ook alle kunst, gedrag en kleding die met seks kunnen worden geassocieerd.
Toch staat Indonesië nummer 4 op de wereldranglijst van landen waar de meeste porno wordt gedownload. Hoe makkelijk porno in de archipel wordt verspreid, bleek toen een seksvideo van de zanger van de Indonesische band Peterpan onbedoeld razendsnel door iedereen werd gezien. De zanger, nu smalend Peter Porn genoemd, kreeg drieënhalf jaar. Ook de hoofdredacteur van de Indonesische editie van Playboy moet twee jaar zitten voor ‘openbare schennis van goede zeden’. En dat terwijl er in het hele blad geen naaktfoto te vinden was.
Zoya snapt dat ze het conservatieve tij niet kan keren, ze hoopt vooral op meer openheid over feiten. Daarom protesteert ze niet tegen het afschaffen van ontblote bovenlijven, peniskokers, minirokjes of seksfilmpjes. Ze wacht wel op het einde van de penisverlenging en het dichtstomen van de vagina. Dat laatste heeft trouwens niets te maken met de creatie van een maagdenvlies. Het wordt gedaan om het wat strakker te maken, zodat er weer volop kan worden genoten.
Eerder gepubliceerd op 29 september 2011 in de Groene Amsterdammer.
about me
- Esther de Jong
- Amsterdam, Netherlands
- From the Netherlands, I work for both Dutch and English-language media. I research documentaries, television programs and other media productions; write scripts and articles; and work as a field producer. This PORTFOLIO shows a selection of my reports, stories and documentaries. Socially engaged, with a focus on underreported topics such as migration, sexuality and identity. Ranging from investigative journalism to breaking news. And everything in between.
Curriculum Vitae
dinsdag 25 oktober 2011
dinsdag 20 september 2011
De weduwen van Rawagedeh
Ik zit voor haar huis. Op een lage bamboe tafel. Laptop op schoot. Ze zit naast mij. Af en toe vallen haar ogen dicht. Het is zeven uur woensdagavond. In Nederland wordt nu uitspraak gedaan in de mede door haar aangespannen rechtszaak.
Wanti Binti Dodo weet van niets. Wel van de rechtszaak, daar heeft ze een papier voor moeten ondertekenen, maar niet dat vandaag zo’n belangrijke dag is. Ze woont een kilometer buiten Rawagedeh.
Ik vraag hoe oud ze is. Dat weet ze niet. Haar zoon haalt haar identiteitsbewijs tevoorschijn, uit een mooi stoffen tasje. Geboren op 9 september 1919, ze is net jarig geweest. Veel mensen in Indonesië weten hun geboortedatum niet. Het is niet belangrijk. Je bent oud, middelbaar of jong.
Met 92 jaar is Wanti oud. Voor Indonesische begrippen stokoud. De levensverwachting ligt hier rond de 71 jaar. Ze spreekt Sundanees. Een voor mij onbegrijpelijk aards klinkende taal.
De man die helpt met vertalen komt uit Rawagedeh, hij is een vriend van meneer Sukarman. Sukarman is een soort dorpshoofd, hij houdt contact met mensen in Nederland.
Hij werpt zich op als regisseur van deze dag. Zodra mijn auto aan het begin van de middag in Rawagedeh aankomt, rent hij naar buiten. Haastig geeft hij mij een rondleiding bij het monument. Haastig, want hij heeft nog meer afspraken.
Na dat interview zit een weduwe Cawi mij op te wachten. Dat heeft Sukarman geregeld: het is zijn moeder. Een lieve, zachte vrouw. Haar eerste man is door de Nederlanders doodgeschoten op die regenachtige dag in december 1947.
Ze was net getrouwd, had nog geen kinderen. Ik vraag haar of ze die dagen van vlak na haar huwelijk kan herinneren. Of ze dromen had. Wensen voor de toekomst. Ze lacht. Eerst voorzichtig en vervolgens schatert ze het uit. Met pret oogjes kijkt ze mij aan: “Dromen… Ik werkte op de sawah. Voor dromen had ik geen tijd.”
Haar man vond ze een dag nadat hij was vertrokken, hij lag dood in het rijstveld. Met een schot in het hoofd geëxecuteerd door de Nederlanders. Ze beschrijft de paniek, het verdriet, de machteloosheid. Ik vraag of ik haar huis mag zien. Dat wil ze liever niet. Ze heeft geen eigen huis, ze woont noodgedwongen bij haar kleinzoon.
Tegen een uur of vijf rijdt een grote satellietwagen van Indonesisch nieuwszender Metrotv het dorp binnen. De wagen parkeert pontificaal voor het monument. De journalisten maken zich klaar voor een live verslag. Binnen mum van tijd weet heel het dorp dat een gerechtshof in Nederland uitspraak gaat doen.
Ik besluit op zoek te gaan naar Wanti Binti Dodo. Het is al bijna donker als ik aankom. De moskee roept op voor gebed. Kinderen worden naar binnen gehaald. Ik interview Wanti voor haar huis, vertel haar waarom ik vandaag bij haar ben.
Zij had zich met haar twee kinderen onder het bed verstopt toen de Nederlanders 64 jaar geleden het dorp bestormden. Uren later, toen de soldaten allang weer weg waren, durfde ze pas naar buiten. Samen met andere vrouwen liep ze huilend door het dorp, op zoek naar haar man. Ze vond hem levenloos in een rijstveld. Doodgeschoten
Haar familie zit binnen voor de tv. Wanti zit nog steeds naast mij. Op de lage bamboe tafel. Ze staart, gaapt en verzit af en toe. Dan krijg ik een smsje: ‘Ze hebben gewonnen!’. Ik vertel het aan Wanti, ze kijkt mij ietwat verdwaasd aan.
Ik loop de huiskamer binnen. Schoondochter, zoon, kleinzoon, achterkleinzoon: iedereen kijkt naar het nieuws. Wanti zit nog buiten. Ik pak haar hand en begeleid haar voorzichtig naar de kamer.
Moeizaam gaat ze op de grond zitten. Er zijn geen stoelen. Ze trekt haar sarong over haar knieën. Na het nieuws zet ik de tv zachtjes. “U heeft gewonnen!”, roep ik. Wanti is een beetje doof. “Gewonnen!” Roep ik nog een keer iets harder.
Ze kijkt mij aan. “Gewonnen?” kraait ze verbaasd uit. “Alhamdulillah we hebben gewonnen…”Verder niets. Ik probeer nog te vragen wat het met haar doet. Is dit gerechtigheid? Maar Wanti is moe, normaal ligt ze al om zes uur op bed.
Ze zegt nog wel dat het niet al te lang moet duren, ze immers al oud. Haar zoon vult aan: “Ja, het zou fijn zijn als we het geld in ieder geval zouden kunnen gebruiken om haar fatsoenlijk te begraven.”
Wanti Binti Dodo weet van niets. Wel van de rechtszaak, daar heeft ze een papier voor moeten ondertekenen, maar niet dat vandaag zo’n belangrijke dag is. Ze woont een kilometer buiten Rawagedeh.
Ik vraag hoe oud ze is. Dat weet ze niet. Haar zoon haalt haar identiteitsbewijs tevoorschijn, uit een mooi stoffen tasje. Geboren op 9 september 1919, ze is net jarig geweest. Veel mensen in Indonesië weten hun geboortedatum niet. Het is niet belangrijk. Je bent oud, middelbaar of jong.
Met 92 jaar is Wanti oud. Voor Indonesische begrippen stokoud. De levensverwachting ligt hier rond de 71 jaar. Ze spreekt Sundanees. Een voor mij onbegrijpelijk aards klinkende taal.
De man die helpt met vertalen komt uit Rawagedeh, hij is een vriend van meneer Sukarman. Sukarman is een soort dorpshoofd, hij houdt contact met mensen in Nederland.
Hij werpt zich op als regisseur van deze dag. Zodra mijn auto aan het begin van de middag in Rawagedeh aankomt, rent hij naar buiten. Haastig geeft hij mij een rondleiding bij het monument. Haastig, want hij heeft nog meer afspraken.
Na dat interview zit een weduwe Cawi mij op te wachten. Dat heeft Sukarman geregeld: het is zijn moeder. Een lieve, zachte vrouw. Haar eerste man is door de Nederlanders doodgeschoten op die regenachtige dag in december 1947.
Ze was net getrouwd, had nog geen kinderen. Ik vraag haar of ze die dagen van vlak na haar huwelijk kan herinneren. Of ze dromen had. Wensen voor de toekomst. Ze lacht. Eerst voorzichtig en vervolgens schatert ze het uit. Met pret oogjes kijkt ze mij aan: “Dromen… Ik werkte op de sawah. Voor dromen had ik geen tijd.”
Haar man vond ze een dag nadat hij was vertrokken, hij lag dood in het rijstveld. Met een schot in het hoofd geëxecuteerd door de Nederlanders. Ze beschrijft de paniek, het verdriet, de machteloosheid. Ik vraag of ik haar huis mag zien. Dat wil ze liever niet. Ze heeft geen eigen huis, ze woont noodgedwongen bij haar kleinzoon.
Tegen een uur of vijf rijdt een grote satellietwagen van Indonesisch nieuwszender Metrotv het dorp binnen. De wagen parkeert pontificaal voor het monument. De journalisten maken zich klaar voor een live verslag. Binnen mum van tijd weet heel het dorp dat een gerechtshof in Nederland uitspraak gaat doen.
Ik besluit op zoek te gaan naar Wanti Binti Dodo. Het is al bijna donker als ik aankom. De moskee roept op voor gebed. Kinderen worden naar binnen gehaald. Ik interview Wanti voor haar huis, vertel haar waarom ik vandaag bij haar ben.
Zij had zich met haar twee kinderen onder het bed verstopt toen de Nederlanders 64 jaar geleden het dorp bestormden. Uren later, toen de soldaten allang weer weg waren, durfde ze pas naar buiten. Samen met andere vrouwen liep ze huilend door het dorp, op zoek naar haar man. Ze vond hem levenloos in een rijstveld. Doodgeschoten
Haar familie zit binnen voor de tv. Wanti zit nog steeds naast mij. Op de lage bamboe tafel. Ze staart, gaapt en verzit af en toe. Dan krijg ik een smsje: ‘Ze hebben gewonnen!’. Ik vertel het aan Wanti, ze kijkt mij ietwat verdwaasd aan.
Ik loop de huiskamer binnen. Schoondochter, zoon, kleinzoon, achterkleinzoon: iedereen kijkt naar het nieuws. Wanti zit nog buiten. Ik pak haar hand en begeleid haar voorzichtig naar de kamer.
Moeizaam gaat ze op de grond zitten. Er zijn geen stoelen. Ze trekt haar sarong over haar knieën. Na het nieuws zet ik de tv zachtjes. “U heeft gewonnen!”, roep ik. Wanti is een beetje doof. “Gewonnen!” Roep ik nog een keer iets harder.
Ze kijkt mij aan. “Gewonnen?” kraait ze verbaasd uit. “Alhamdulillah we hebben gewonnen…”Verder niets. Ik probeer nog te vragen wat het met haar doet. Is dit gerechtigheid? Maar Wanti is moe, normaal ligt ze al om zes uur op bed.
Ze zegt nog wel dat het niet al te lang moet duren, ze immers al oud. Haar zoon vult aan: “Ja, het zou fijn zijn als we het geld in ieder geval zouden kunnen gebruiken om haar fatsoenlijk te begraven.”
donderdag 16 juni 2011
Moppen met Abu Bakar Bashir
Mijn schoonmaakster mopt de vloer. Met een schuin oog kijkt ze af en toe naar de rechters op televisie die al bijna twee uur het vonnis tegen Abu Bakar Bashir voorlezen. Ze is een vrome moslim, zonder hoofddoek.
Twee van de rechters hebben een bril op hun neus en een zwarte snor. Allemaal zijn ze gestoken in een zwart-rode toga met witte bef. De rechter met snor heeft ook een bidplek op zijn voorhoofd. Hij slaat af en toe een bladzijde om van de stapel A-viertjes. Deze wordt maar niet kleiner.
Buiten de rechtszaal schreeuwen de aanhangers van Bashir af en toe heel hard ‘Allahu Akbar’. De vuisten dreigend in de lucht. Na een aantal onverstaanbare andere leuzen gaan ze weer op de grond zitten. De rood-wit en zwart-witte sjaals om hun hoofd gewikkeld, als bescherming tegen de zon. Over de witte bidpetjes heen. Een aantal vrouwelijke aanhangers zit in de rechtszaal. Geheel in het zwart gehuld. Met de rug naar het publiek. De gezichten naar Bashir.
Deze is volledig in het wit, behalve bril en schoenen die zijn zwart. Hij luistert naar zijn vonnis. Aandachtig. Stoïcijns. Bijna roerloos. Soms ondersteund zijn rechterhand zijn hoofd, trekt hij aan zijn snor of peutert hij in zijn neus.
Een aantal televisie stations houdt het na een paar uur voor gezien en schakelt over naar gesponsorde programma’s. Behalve TVOne, hun verslaggever klaagt over de hitte. Het is inmiddels al over twaalven en de rechters blijven maar voorlezen. De verslaggever van Metrotv heeft moeite over de luidsprekers van de rechters heen te komen.
De op grote schaal uitgerukte politie ziet er bijna schattig uit in hun beige outfits en tropenhoeden. De schattigheid houdt op bij de enorme mitrailleurs die om hun schouders hangen. Op de daken turen scherpschutters door hun viziers.
Een paar jaar geleden was Bashir te gast in een van de moskeeën bij mij in de buurt. Uit nieuwsgierigheid ging ik er naar toe. De vrouwen zaten achter een gordijn in een hoekje van de moskee. Ze lachten vriendelijk naar mij. Met mijn zwarte hoofddoek was ik een van hen. Kinderen liepen tussen ons door. Speelden tikkertje en werden vervolgens door hun moeders vermanend toegesproken.
De mannen zaten verspreid in de rest van de moskee. Echte fans dichtbij. Nieuwsgierigen wat verder weg. Zijn preek was lang en bij vlagen vermakelijk. Ten minste soms moesten de vrouwen in mijn afdeling heel hard lachen. Hij was slecht te verstaan, zelf mijn Indonesische vriendin kon hem niet goed horen.
Hij zat op de vloer. In kleermakerszit. Veel kleiner dan dat ik mij had voorgesteld. Eigenlijk zag hij er wel lief uit. “Een soort opa”, fluisterde ik tegen mijn vriendin. Ze lachte en vertaalde wat ze wel had kunnen opvangen: “ongelovigen zijn erger dan ongedierte onder een steen. Ze verdienen het daglicht niet.”
De vloer in de huiskamer is gemopt. De rechter met zwarte snor, zonder bidplek, leest nu een gedeelte van het vonnis voor. Het duurt al vier uur. Mijn schoonmaakster staat te strijken. Ik vraag haar wat zij denkt dat Bashir krijgt. Ze lacht: “Ik hoop de doodstraf en als dat niet kan dan maar levenslang.”
Twee van de rechters hebben een bril op hun neus en een zwarte snor. Allemaal zijn ze gestoken in een zwart-rode toga met witte bef. De rechter met snor heeft ook een bidplek op zijn voorhoofd. Hij slaat af en toe een bladzijde om van de stapel A-viertjes. Deze wordt maar niet kleiner.
Buiten de rechtszaal schreeuwen de aanhangers van Bashir af en toe heel hard ‘Allahu Akbar’. De vuisten dreigend in de lucht. Na een aantal onverstaanbare andere leuzen gaan ze weer op de grond zitten. De rood-wit en zwart-witte sjaals om hun hoofd gewikkeld, als bescherming tegen de zon. Over de witte bidpetjes heen. Een aantal vrouwelijke aanhangers zit in de rechtszaal. Geheel in het zwart gehuld. Met de rug naar het publiek. De gezichten naar Bashir.
Deze is volledig in het wit, behalve bril en schoenen die zijn zwart. Hij luistert naar zijn vonnis. Aandachtig. Stoïcijns. Bijna roerloos. Soms ondersteund zijn rechterhand zijn hoofd, trekt hij aan zijn snor of peutert hij in zijn neus.
Een aantal televisie stations houdt het na een paar uur voor gezien en schakelt over naar gesponsorde programma’s. Behalve TVOne, hun verslaggever klaagt over de hitte. Het is inmiddels al over twaalven en de rechters blijven maar voorlezen. De verslaggever van Metrotv heeft moeite over de luidsprekers van de rechters heen te komen.
De op grote schaal uitgerukte politie ziet er bijna schattig uit in hun beige outfits en tropenhoeden. De schattigheid houdt op bij de enorme mitrailleurs die om hun schouders hangen. Op de daken turen scherpschutters door hun viziers.
Een paar jaar geleden was Bashir te gast in een van de moskeeën bij mij in de buurt. Uit nieuwsgierigheid ging ik er naar toe. De vrouwen zaten achter een gordijn in een hoekje van de moskee. Ze lachten vriendelijk naar mij. Met mijn zwarte hoofddoek was ik een van hen. Kinderen liepen tussen ons door. Speelden tikkertje en werden vervolgens door hun moeders vermanend toegesproken.
De mannen zaten verspreid in de rest van de moskee. Echte fans dichtbij. Nieuwsgierigen wat verder weg. Zijn preek was lang en bij vlagen vermakelijk. Ten minste soms moesten de vrouwen in mijn afdeling heel hard lachen. Hij was slecht te verstaan, zelf mijn Indonesische vriendin kon hem niet goed horen.
Hij zat op de vloer. In kleermakerszit. Veel kleiner dan dat ik mij had voorgesteld. Eigenlijk zag hij er wel lief uit. “Een soort opa”, fluisterde ik tegen mijn vriendin. Ze lachte en vertaalde wat ze wel had kunnen opvangen: “ongelovigen zijn erger dan ongedierte onder een steen. Ze verdienen het daglicht niet.”
De vloer in de huiskamer is gemopt. De rechter met zwarte snor, zonder bidplek, leest nu een gedeelte van het vonnis voor. Het duurt al vier uur. Mijn schoonmaakster staat te strijken. Ik vraag haar wat zij denkt dat Bashir krijgt. Ze lacht: “Ik hoop de doodstraf en als dat niet kan dan maar levenslang.”
Abonneren op:
Posts (Atom)